Ga naar de startpagina

De prehistorie ( ? - 800 )

Achtergrond

Als wij de zweedse geschiedenis beschouwen als de periode dat er mensen in het land leefden dan beslaat de geschiedenis een periode van vele duizenden jaren. De gedocumenteerde geschiedenis gaat echter niet veel verder terug dan tot ongeveer het jaar 800 na Chr. De kennis over de tijd hiervoor hebben wij voornamelijk te danken aan de archeologie. Door de archeologische vondsten te bekijken in samenhang met vondsten uit andere delen van de wereld, de resultaten van taal- en etnografisch onderzoek, de noordse sagen en de spaarzame aantekeningen in de grieks-romeinse literatuur hebben wij toch een aardig beeld opgebouwd over de vroegste geschidenis van Zweden.

Impulsen uit de landen rond de Middellandse Zee

De eerste periode uit de zweedse geschiedenis kan worden opgedeeld in de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd. Het belangrijkste dat wij weten over de gebeurtenissen in die tijd is het volgende. Als de wat hogere primitieve cultuur die het verschil maakt tussen de vroege en late steentijd tot stand gebracht is door een nieuw volk, dan heeft Zweden haar eerste inwoners gekregen door twee immigratiegolven. Over de oorsprong van de bevolking in de vroege steentijd weten wij niets met zekerheid en de vraag over de dubbele immigratiegolf blijft daarmee open. Daarentegen weten wij wel met zekerheid dat de germaanse bevolking die Zweden haar etnografische karakter heeft gegeven afstamt van de bevolking uit de late steentijd. Gedurende grote delen van de prehistorische tijd bestond er nauwelijks kontakt tussen de bewoners van Zweden en de volkeren rond de Middellandse Zee. Door de ruilhandel tussen de volkeren rond de Middellandse Zee en de barbaarse volkeren in het noorden kwamen er impulsen door die er voor zorgden dat er in Zweden, in de bronstijd, een barbaarse cultuur zich aan het primitieve stadium onttrok. De volkeren rond de Middellandse Zee hadden hier geen idee van en konden niet vermoeden dat er in het noorden krachten groeiden die eens sterker dan zij zouden zijn. Reeds in de bronstijd waren er in het noorden, zoals grafvondsten uitwijzen, machtige hoofdmannen. Het koninkrijk van de Svear, zoals door Tacitus in 98 na Chr. beschreven in zijn boek "Germania", is waarschijnlijk niet later ontstaan dan in de pre-romeinse ijzertijd (550 - 0 voor Chr.). Mogelijk bestond het koninkrijk Zweden in de tijd van Tacitus slechts uit de noordelijke landen Tiundaland, Attundaland en Fjärdhundraland. Mogelijk zelfs alleen uit Tiundaland, dat in dat geval uit het hele Mälardal en de gebieden ten noorden daarvan bestond. Svear werd de algemene naam voor de bevolking in het gehele gebied. Ten zuiden van de Svear woonde een andere stam : de Goten. Vanuit dit gebied (speciaal de grote eilanden in de Oostzee en vanuit Noorwegen) vond in de derde eeuw voor Chr. een emigratiegolf plaats naar de mondingen van de Oder en de Weichsel die de oosprong van de oostgermaanse volkeren vormde.

Volksverhuizingen en de gevolgen

Vanuit de nieuwe nederzettingen aan de zuidzijde van de Oostzee waaierden de uit Scandinavië afkomstige Goten en andere oostgermaanse volkeren uit tot aan de Zwarte Zee, waar zij sterk beïnvloed werden door de grieks-romeinse cultuur. Dit had leter ook invloed op de volkeren in Zweden, omdat de Oost-Germanen altijd banden bleven onderhouden met de bevolking waar zij van afstamden. Daardoor werden belangrijke cultuurelementen zoals het runenschrift overgedragen. In deze tijd ontstaat ook het verhaal over de komst van Odin. Ook in de latere periode van de ijzertijd (400-800 na Chr.) bleef de band tussen de volkeren belangrijk voor het noorden. In die tijd braken de Oost-Germanen de weerstand van het Romeinse Rijk en maakten het mogelijk dat het westelijk deel uiteenviel. De Oost-Germanen hebben hierbij veel hulp gekregen van de Noord-Germaanse volkeren in het algemeen en de Goten in het bijzonder. De eerste Zweedse handelingen in de wereldhistorie hebben een rijke buit opgeleverd, zoals de goudvondsten in Götaland laten zien, maar lieten aan de andere kant een rampzalige daling van de bevolking en vermindering van de kracht van de Goten zien. De gedichten van Beowulf, een van de weinige overblijfselen uit die tijd, verhalen over geweldige gevechten tussen de Svear en de Goten. Het resultaat was waarschijnlijk een totale overwinning voor de Svaer, omdat in die tijd Västergötland, Östergötland, Närke, Värmland, Småland en Blekinge en die hier wonende Virdarna, Heruler en Värend waren onderworpen aan de macht van de koning van de Svear. De overwinning was voornamelijk te danken aan het feit dat de Svear niet zo erg verzwakt waren door de emigratiegolven. Volgens Snorri Sturluson behoorden alle koningen van de Svaer tot en met Ingjald Illråde, dat wil zeggen tot ongever het jaar 600 na Chr., tot de Ynglingerdynastie, waarvan alle leiders worden vermeld in de Heimskringlas Ynglingasaga. Hoewel dit document lange tijd als betrouwbaar werd beschouwd verloor het in de 19e eeuw haar historische waarde, maar nieuw onderzoek toont aan dat het wel gedeeltelijk betrouwbaar is. Welke koning van de Svaer de ondergang van het rijk van de Goten bewerkstelligde is niet bekend. Mogelijk bevatten de vertellingen over de dood van Ingjald Illråde's dood herinneringen aan de grote veranderingen in die tijd, maar het verloop kan niet precies zo gegaan zijn als wordt verteld. De opkomst en groei van het koninkrijk van de Svear, die ook aan Ingjald Illråde wordt toegeschreven, heeft volgens de gedichten van Beowulf veel eerder plaats gevonden. Ook wat wordt verteld over de koningen Ivar Vidfamne, Harald Hildetand en Sigurd Ring berust niet altijd op feiten, maar hoort meer thuis in de sagen en legenden.

 

Copyright © 1998-2008 Zweden Info