![]() |
|||
|
|||
De Vikingtijd ( 800 - 1050 )Samenleving en staat in de Vikingtijd
Net als alle germaanse volkeren leefde de bevolking van Zweden in familiegroepen voor dat de staat werd gevormd. Zelfs daarna beleven de familiebanden erg belangrijk. Aanvankelijk had de germaanse staatsvorm het karakter van een verzameling kleine staatjes. Ook Zweden bestond in het begin uit een verzameling kleinere staatjes die elk ongeveer een provincie vormden. In die staatjes werd de macht gehandhaafd door enerzijds het volk en deels door koningen. Al voor de eindstrijd tussen de Svear en de Goten was er sprake van de twee grote koninkrijken Svearike en Götarike. Na de overwinning van de Svear ging het nieuwe land verder als Sverige en de bevolking als Svenskar. De op deze manier tot stand gebrachte staat was gedurende lange tijd erg zwak. De koning kon ter verdediging van het land een beroep doen op volkslegers en plunder- en veroveringstochten organiseren. Daarnaast had de koning, in de tijd dat Zweden nog niet gekerstend was, de zorg over de tempel van Uppsala. De macht van de koning bestond eigenlijk alleen maar uit een grote troep trouwe hoofdmannen en krijgers. De koning was in staat deze mannen tevreden te houden door met behulp van zijn bezittingen ervoor te zorgen zijn mannen voldoende te eten hadden en tevreden waren en door giften van de bevolking. Van een regering en een belastingstelsel was in die tijd geen sprake. Belasting was onverenigbaar met politieke vrijheid. Het rijk was in feite een slechts door de koning bijeen gehouden verbond van autonome provincies die onder leiding van hun hoofdmannen hun eigen wetten, rechtspraak en bestuur regelden. Een gevolg van de manier waarop het land werd gevormd is dat de koningstitel gebonden was aan het geslacht van de eerste koningen van de Svear. Het recht om een nieuwe koning te kiezen lag bij het gerecht Mora Stenar. De neiwue koning werd gekozen door de drie noordelijke provincies. De andere provincies mochten daarna slechts de nieuwe koning huldigen. Voor het overige waren alle provincies gelijkgesteld. De samenlevingsvorm was redelijk democratisch en bestond voornamelijk uit politiek gelijkgestelde grondeigenaren (boeren), maar onder hen stelden enkele grote boeren zich boven de massa. Een niet gering deel van de bevolking bestond uit slaven en lijfeigenen. De vikingtochten zorgden voor een verdere verrijking van de grote boeren en een verdere uitbreiding van het aantal slaven en lijfeigenen. VikingtochtenTerwijl de Scandinavische landen zich in heel verschillende mate bezighielden met de volsverhuizingen die uiteindelijk tot de ondergang van het Romeinse Rijk leidden, omtwikkelde de Vikingtochten zich tot een specifieke Scandinavische aangelegenheid. In de tochten naar het westen spelen de Zweden nauwelijks een rol van betekenis. De toenemende kracht van het Zweedse volk richtte zich voornamelijk op het zuiden en het oosten. Met door de koning georganiseerde en gefinancierde plundertochten naar de overkant van de Oostzee werd niet alleen een hoop krijgsbuit naar Zweden gebracht, maar ook grote "belastinggebieden" onder de macht van de zweedse koning gebracht. Een van de merkwaardigste ondernemingen uit die tijd was het stichten van het Russische Rijk door de privépersoon Rurik en zijn mannen in ongeveer 860. Een met die onderneming samenhangende gebeurtenis was de rekrutering van de Bizantijnse Garde die vanuit Zweden werd gestuurd. Ook in het zuiden werd rond het jaar 900 door de zweedse Viking Olof een zweeds rijk gesticht op het deense Jutland. Olof werd opgevolgd door zijn zoon Gnupa. Het werd korte tijd later alweer veroverd door de deense koning Gorm en zijn opvolgers. Als de Vikingtochten onder een eenduidige, doelbewuste leiding hadden plaats gevonden dan zou waarschijnlijk heel Noord-Europa Scandinavisch geworden zijn. Nu liep dat allemaal op niets uit. In de nieuwe gevormde staten Rusland, Normandië en een deel van Engeland verloren de noordelijk emigranten hun nationaliteit en dat betekende voor de Scandinavische landen een verzwakking. Dat de Scandinavische landen zich naast de overige landen in Europa zich verder konden ontwikkelen is voor het grootste deel te danken aan de angst die er in Europa heerste voor de razende Vikingen. De Vikingtochten openden ook vele handelswegen en speciaal de Zweedse Vikingen begrepen heel goed hoe ze hier het meeste voordeel van konden hebben, zoals te zien is aan nederzttingen asl Birka, Sigtuna en Gotland. Het avontuurlijke Vikingleven lag ook aan de basis van de noordelijke dichtkunst met haar goden- en heldenliederen. Tot slot waren het de Vikingtochten die ervoor zorgden dat Zweden haar debuut maakte op het Europese staatstoneel. Het belangrijkste gevolg darvan was de invoering van het christendom in Zweden. De handels- en plundertochten brachten de eerste kennis over het christendom naar Scandinavië en de behoefte om de heidense krijgslust van de Vikingen wat te dempen bracht het reeds christelijke deel van Europa ertoe om zich erg in te spannen voor de kerstening van de Vikingen. Met de invoering van het christendom liepen ook de plundetochten van de Vikingen ten einde. De monnik Ansgar kwam voor het eerst rond het jaar 830 naar Zweden, maar pas ongeveer 200 jaar later, na de doop van Olof Skötkonung werd het christendom meer aanvaard. Interne strijd tussen de Scandinavische volkerenDe sterke kracht van de noordse volken liet zich niet allen zien in de reizen van de Vikingen, maar ook in de interne oorlogen. Net als Zweden was Denemarken aan het begin van deze periode al een eenheid. Noorwegen werd ana het eind van de 9e eeuw een eenheid door toedoen van Harald Hårfager. Tussen de drie landen vonden geweldige krachtmetingen plaats. Deze kunnen beschouwd worden als voortzettingen van de bewegingen die kleinere samenlevingen lieten samensmelten tot landen. Door de geringe cultuurverschillen in die tijd leek het niet onmogelijk dat heel Scandinavië tot één land zou samensmelten. Maar de drang om onafhankelijk te blijven was groter dan de krachten om samen te smelten en een politieke eenheid werd niet gevonden en er trad zelfs een verdere verwijdering op. De lijst met namen van koningen uit het begin van de Vikingtijd is in hoge mate verwarrend, maar verschillende historische namen zijnndankzij de christelijke missie bewaard gebleven en duiden op een en hetzelfde geslacht. Bij het eerste bezoek van Ansgar aan Zweden heette de koning Björn en bij zijn tweede bezoek in ongeveer 852 Olof. IJslandse bronnen vermelden op het eind van de 9e eeuw de zweedse koning Erik Emundsson en daarna zijn zoon Björn. Deze laatste zou gedurende een periode van 50 jaar aan de macht geweest zijn, maar volgens Adam van Bremen zou Zweden kort voor het jaar 935 door interne strijd uiteen gevallen zijn, waarbij Bohuslän aan Noorwegen toekwam en Halland aan Denemarken. Adam van Bremen vertelt verder dat rond 960 een koning Emund Eriksson in Zweden regeerde en was hij en niet Björn, zoals ijslandse bronnen melden, de vader van de koningen Erik Segersäll en Olof. Na de dood van de laatste eiste zijn zoon Styrbjörn de troon op en kreeg daarbij steun van de zoon van de deense koning Gorms Harald Blåtand die daarmee probeerde macht in Zweden te verwerven, maar Styrbjörn werd in 980 in de slag bij Fyrisvallarna verslagen door zijn oom koning Erik die daarbij ook Denemarken veroverde op de Harald Blåtands zoon Sven Tveskägg en daarmee Zweden tot het machtigste rijk van het noorden maakte. Deze situatie was niet te handhaven onder het bewind van Erik's zoon en opvolger Olof Skötkonung. Sven Tveskägg heroverde Denemarken. Het deel van Noorwegen dat Olaf veroverd had op Olaf Tryggvesson in de slag bij Svolder ging verloren toen Olaf Haraldsson (Olaf de Heilige) in 1015 het noorse rijk opnieuw stichtte. Het bedreigende overwicht dat Denemarken daarna kreeg onder Svens zoon Knut de Grote zorgde ervoor dat Anund Jakob, de zoon van Olaf Sköttkonung, een verbond aanging met Olaf Haraldsson, maar zij konden niet verhinderen dat Knut de Grote Noorwegen veroverde. De voor Zweden buitengewoon vervaarlijke vereniging van Denemarken en Noorwegen loste zich rond 1047 op en aan het einde van deze periode waren er de drie zelfstandige rijken Zweden, Noorwegen en Denemarken met ieder hun eigen identiteit. Bij Zweden hoorden toen nog niet de huidge provincies Skåne, Halland, Blekinge en Bohuslän, waarvan de eerste drie bij Denemarken hoorden en de laatste bij Noorwegen. De Zweedse bezittingen aan de andere kant van de Oostzee waen inmiddels ook verloren gegaan. Met Anund Jakobs broer en opvolger Emund de Oude stierf de mannelijke lijn van het koninklijk geslacht uit.
|
|||
|
Copyright © 1998-2008 Zweden Info |