Ga naar de startpagina

De Folkunger-tijd ( 1250 - 1389 )

De strijd om de troon


Zegel van Magnus I Ladulås

Na het overlijden van Erik XI op 2 februari 1250 werd de zoon van zijn zuster Valdemar Birgersson ( 1250 - 1275 ) van de machtige Folkunga-familie tto koning uitgeroepen. In de praktijk was echter Birger Jarl, de vader van de jonge koning, de machthebber tot zijn dood in 1266. Birger Jarl beschermde de kroon van zijn zoon succesvol tegen andere troonpretendenten, maar lgede wel de basis voor verdere conclicten om de troon door volgens buitenlands, feodaal gebruik de titel Groothertog aan sommige jongere familieleden van de koning te geven. In 1275 werd Valdemar Birgersson afgezet door zijn broer Magnus I Ladulås ( 1275 - 1290 ). Magnus werd opgevolg door zijn zoon Birger Magnusson ( 1290 - 1318 ). Birger was in een felle strijd om de troon gewikkeld met zijn broers hertog Erik Magnusson en hertog Valdemar Magnusson. De strijd eindigde bij het "Nyköping banket", waar Birger werd afgezet en zijn broer Valdemar het leven verloor. De zoon van hertog Erik, Magnus Eriksson ( 1319-1364) werd tot koning gekozen. Hij had geen last meer van Zweedse hertogen die aanspraken wilden maken op de troon, maar werd in 1364 toch afgezt door een groep machtige grootgrondbezitters. De troon werd overgenomen door Albert van Mecklenburg. Door zijn moeder, de zuster van Magnus Eriksson, behoorde hij tot het geslacht Folkunga en is hij de laatste uit dit geslacht op de Zweedse troon geweest.

Veranderingen in de samenleving

In de Folkunga-tijd kwamen de eerder ingezette veranderingen tot rijpheid. Birger Jarl en Magnus Ladulås kunnen beschouwd worden als de eerste Zweden die werkelijk de naam van staatshoofd verdienden. Zij hebben de basis gelegd voor veel wetten die zelfs vandaag de dag nog in Zweden gelden. Met behulp van hun wetten werden de koning en rijksaristocratie verplicht tussenbeide te komen in conflicten en werden de eerste gerechtshoven georganiseerd. Ook andere vruchten van het koninklijk initiatief tot het vaststellen van wetten droegen bij tot het vertrouwen in de staat. In opdracht van de koning werden de

provinciale wetten van Uppland en Södermanland opastgesteld. Het grote resultaat van alle inspanningen waren uiteindelijk de landswetten van Magnus Erikssons die alle provincies onder een en hetzelfde rechtststelse brachten. De wetten werden zelfs van kracht in het veroverde Finland. De sterke staatsmacht die gevormd is door het geslacht Folkunga betekende voor hen echter geen alleenheerschappij. Ook zij waren onderworpen aan de landswetten. Met de wetsartikelen met betrekkeing tot het koningschap kreeg Zweden haar eerste gechreven grondwet die de basis is geweest voro Zwedens verdere staatsrechtelijke ontwikkeling. Zonder medewerking van het volk mocht de koning geen nieuwe wetten en belastingen invoeren en de koning garandeerde de persoonlijke vrijheid en rechtzekerheid van zijn bevolking. Aan de andere kant verplichtte de bevolking zich de wetten te gehoorzamen en belasting te betalen. Dat laatstee was noodzakelijk omdat de koninklijke bezittingen rond Uppsala, waaruit veel gefinancierd kon worden, in de onrustige tijden verdwenen waren en het in stand houden van een rijk nu eenmaal geld kost.

De vorming van standen


Zegel van Magnus Eriksson

Met betrekking tot rechen en plichten bestond er in deze periode geen gelijkheid. De kleine boeren hadden nog geen gevoel voor zelfbestuur en de politieke macht kwam daardoor bij geestelijke en wereldlijke leiders te liggen. Het middel om hun macht uit te oefenen werd de "koningsraad", zoals beschrven in de landswetten van Magnus Eriksson, die vastere vorm kreeg in de periode dat de latere koningen Birger Magnusson en Magnus Eriksson nog niet oud genoeg waren om te regeren. De titel van "Jarl" verdween na Birger Jarl ( 1250-1266 ), maar in plaats van verschenen als leiders van de aristocratie de "drott" ( heerser) en "marsk" ( opperbevelhebber). Regelmatige samenkomsten van deze machthebbers, die zeker in de wet niet als orgaan voor het vaststellen van wetten en belastingen werden erkend, kregen grote politieke invloed en in de voorschriften van Skänninge een min of meer vaste vorm. De aristocratie werd georganiseerd in twee geprivilegiëerde standen. De kerkelijk aristocratie ontstond na de privilegebrieven van Magnus Ladulås uit 1281 en die van koning Birger Magnusson uit 1305. De adel werd gevormd op basis van de voorschriften van Alsnö uit 1279. Dat laatste hing samen met de veranderingen in de manier van oorlogvoeren in de middeleeuwen die ook hun invloed hadden in Zweden. De Zweedse door de koning gefinancierde veldtochten en algemene dienstplicht moesten worden vervangen door zware ruiterij en om dat tot stand te brengen verleende Magnus belastingvrijheid aan alle strijders met een paard. Dat betekende belastingvrijheid voor de grootgrondbezitters, waar het ridderschap in opkomst was, en hun krijgers. Ook veel boeren beseften dat het misschien wel lonend was om in plaats van belasting te betalen te paard ten strijde te trekken. Hierdoor werd de boerenstand opgedeeld in twee delen. Enerzijds de van belasting vrijgestelde boeren en anderzijds de belastingplichtige boeren. De eersten vormden de lagere adel. De laatsen hadden geen privileges en bijna geen invloed op staatsaangelegenheden en leden onder de hoge belastingdruk. Naast de hogere en lagere adel en de boerenstand onstond in de Folkunga-tijd nog een vierde stand. De Zweedse handel was na het stoppen van de Vikingtochten in verval geraakt tot voordeel van de Duitse Hanzen. Om at probleem op te lossen gaven Birger Jarl en de daarop volgende koningen uit het Folkunga-geslacht de duitse koopmannen en handwerkslieden toestemming zich op gunstige plaatsen als Stockholm te vestigen. Dor speciale stadswetten kregen deze steden eigen stadswetten met een hoge mate van zelfstandigheid. Op deze manier vormden de stadsmensen de tweede onadelijke stand in het land. Tussen de boerenstand en die van de stadsmensen was er nog sprake van een stand van mensen die zich met mijnbouw bezig hielden.

De strijd tussen de koning en de adel


Zegel van Albert van Mecklenburg

In het begin van de staatsvorming was de adel de koning behulpzaam en gunstig gezind. In de Folkunga-tijd veranderde hun houding langzamerhand tot een gevaar voor zowel de koning als de niet-adellijke standen. De voornaamste oorzaak daarvan was dat het noeuwe meer loakle bestuur de vorm had aangenomen van provincies. In grote delen van het rijk mochten de bestuurders van deze lokale besturen gebruik maken van de belastinginkomsten om hun legers, waar zij zelf over beschikten, te bekostigen. Hierdoor kregen de lokale bestuurders zoveel macht dat zij beschouwd konden worden als kleine koningen in hun eigen provincies en sommigen werden hierdoor verleid de belastingen onrechtmatig te verhogen en zodoende de druk op de boeren te verhogen. Het is niet verwonderlijk dat het voornaamste streven van de adel was het verkrijgen van de macht over de provincies. In tegenstelling tot andere landen was de zeggenschap over de provincies in Zweden niet erfelijk, omdat de koning volgens de landsetten naar eigen goeddunken bestuurders kon benoemen. Deze wetten maakte de aristocratie afhankelijk van de instemming van de "koningsraad" die bijna het gehele rijk onder haarzelf en vrienden kon verdelen. Het koninklijk bestuur, dat juist in het leven geroepen was om de eenheid in het rijk te bewaren, dreigde hierdoor weer een onderonsje tussen de raadsleden te worden. Onder deze omstandigen was het in toom houden van de macht van de aristocratie een gemneenschappelijk streven van de koning en de niet-edele klassen van de bevolking. Het was misschien hierom dat Magnus Eriksson in 1359 een oproep deed tot een rijksvergadering om de kroon en de bevolking tegen de aristocratie te beschermen. Het gevolg hiervan was dat hij uiteindelijk werd afgezet. Zijn opvolger Albrekt van Mecklenburg werd in 1371 door de koningsraad gedwongen om tegen de landswetten aftsand te doen van het beschikkingsrecht over de provincies en van de regeringsmacht. Handig gebruik makend van de verschuiving van de macht wist de aristocraat Bo Jonsson (Grip) ongeveer een derde deel van Zweden en geheel Finland onder zijn bestuur te krijgen.

<< De vroege Middeleeuwen

Copyright © 1998-2008 Zweden Info