![]() |
||||
|
||||
De vrijheidstijd ( 1718-1772 )De koning verliest zijn macht aan de Rijksdag
Nadat de dood van Karl XII en de omstreden opvolging door Ulrika Eleonoras (1718-1720) de door rijksambtenaren beheerste Rijksdag de vrije hand gaf werd de alleenheerschappij van de koning afgeschaft in de grondwet van 1719 en 1720. De monarchistische staatsopvatting, waar de alleenheerschappij een uitdrukking van was, was nog steeds van toepassing, maar nu in het voordeel van de Rijksdag die onbeperkte mogelijkheid kreeg om wetten uit te vaardigen. Het koningschap bleef, maar alleen als representatieve functie en dat droeg er aan bij dat er zwakke koningen zoals Fredrik I (1720-1751) en Adolf Fredrik (1751-1771) de troon bestegen. Het eigenlijke regeringsorgaan zou nu de Rijksraad, die koningen kon wegstemmen, moeten zijn. De leden van de Rijksraad werden echter benoemd na voordracht van de Rijksdag en vanaf 1738 kreeg de Rijskdag zelfs het recht om leden van de Rijksraad, die de regerende partij niet bevielen, te ontslaan. De Rijksraad werd daardoor slechts een orgaan dat de wil van de Rijksdag uitvoerde. Zo verschoof de allenheersende macht van de koning naar de macht Rijksdag. Dit betekende ook het afstappen van de binnenlandse samenwerking van en controle door vele machtsfaktoren die vanouds het zweedse staatsbestuur gekenmerkt hebben, maar slechts ingegeven werden door nationaal historische ervaringen. De theorie van het bestuur door het volk heeft het hele proces versneld en wordt sindsdien als verdediging van het nieuwe staatsbestuur aangevoerd.
Door de ongelukkige gebeurtenissen onder met name Karl XII had het koningschap en de daarmee verbonden alleenheerschappij veel vertrouwen. Als verdediging hiertegen ontstond in 1719 bij de aristocratie de wens om te komen tot een bureaucratisch bestuur naar het model van de regeringsvorm uit 1634 met een zelfstandig regerende Rijksraad. De tijd dat Karl XI nog net oud genoeg was voor de troon zorgde ervoor dat ook een zelfstandig regerende Rijksraad niet vertrouwd werd en zo werd een streep door de aristocratische plannen gehaald. Met machtsmisbruik van de Rijskdag had men toen nog geen ervaring en daardoor kon de Rijksdag ten koste van de koning en de Rijskraad de gehele macht in Zweden naar zich toe halen. Positieve resultaten van de veranderingenDoor de veranderingen kregen ook nationale krachten een grotere speelruimte dan ooit te voren en de positieve gevolgen daarvan bleven niet uit. De nieuwe vrijheid - waarnaar deze periode genoemd is - werd het onderwerp van grote geestdriftige bewondering en deze enthousiaste stemming gaf grote impulsen aan de ontwikkeling van de handel, wetenschap en literatuur en legde de basis voor de latere culturele ontwikkelingen. De tijdgeest bracht ook in het staatsbestuur opmerkelijke veranderingen. De werkzaamheden van de Rijksdag, in het bijzonder het ontwikklen van commissies, ontwikkelden zich aan de hand van de grondwet en op basis van de ervaringen in de praktijk. Tevens werd in de grondwet vastgelegd dat de Rijksdag wetten kon uitvaardigen naar de wil van het volk. Er werd verschil gemaakt tussen het vaststellen van de grondwet en het vaststellen van gewone wetten. Met name bij het vaststellen van de gewone wetten werd een grote stap volbracht met de wetten van 1734. De bureaucratie van de Rijksdag en machtsmisbruik
De onbeperkte macht van de Rijksdag hield in feite een onbeperkte macht in voor de partij die op dat moment het grootst was. Hier werd vaak op uiterst grove wijze misbruik van gemaakt. Dit had ook grote gevolgen voor de buitenlandse en economische politiek van de Hattarna (Hoedenpartij). De buitenlandse politiek was slechts een karikatuur van de buitenlandse politiek uit de tijd van Zweden als grootmacht, omdat alle voorwaarden daarvoor inmiddels ontbraken. Dat kostte Zweden tijdens de Hattarna's oorlog tegen Rusland avn 1741-1743 bij de vrede van Åbo in juni 1743 een groot deel van haar bezittingen in Finland De economische politiek, een overdreven handelsgericht ondersteunings en beschermingssysteem, diende ook een patriottisch doel en had een niet te onderschatten in de levendige economie in die tijd, maar werd gebruikt om individuele belangen te dienen ten koste van het algemene belang en zorgde er uiteindelijk, in samenwerking met de kostbare oorlogspolitiek, voor dat de staat eindigde in totale verwarring De Mössparti (Mutsenpartij), die in 1765 aan de macht kwam, de alleenheerscahppij van de Rijksdag om een economisch wurgsysteem in te voeren die de financiële situatie van het land verder verslechterde. Zelfs de persoonlijke rechtszekerheid werd niet langer gerespecteerd door de partij die de Rijksdag beheerste. De Rijksdag nam zelfs de rechtspraak in handen en achtte zichzelf daarbij niet aan de wet gebonden omdat men vond dat diegenen die de wetten uitvaardigden boven de wet stonden. Aan dit laatste maakten zowel de Hattparti als de Mössparti zich schuldig. Het was niet slechts dat de alleenheerschappij van de Rijksdag werd misbruikt voor onrecht en onderdrukking, maar het zette ook effectief de overige overheidsinstellingen buiten spel. De Rijksdag nam nu tegenover deze instellingen dezelfde oppermachtige positie in als voorheen de koning. Mogelijkheden tot controle van buitenaf ontbraken niet, maar de bezitters van de controlerende macht, de eigenlijk machthebbende standen als adel, priesters en burgers waren zelf hoge ambtenaren. De controle van buitenaf wa sin feite niet veel meer dan een bureaucratische zelfcontrole. Onder de jongeren binnen de Mössparti groeiden antibureaucratische ideeën en een uiting daarvan was het invoeren van persvrijheid die in 1766 in de grondwet werd vastgelegd. Het praktische resultaat van het aan de macht komen van de jongeren was dat de controle over de rijksdag overging van de bureaucratie van de hoge adel naar een bureaucratie van geestelijke en burgerlijke bestuurders. Het verschil tussen de bureaucratische zelfcontrole uit de vrijheidstijd en dat wat de hoge adel in de 1700 eeuw en in 1719 nastreefde was dat de controle niet gehandhaafd werd door de hoogste bestuursorganen, maar door lagere ambtenaren krachtens de soevereiniteit van de Rijksdag. Hiermee samen hing het parlementaire karakter waarin de alleenheerschappij van de Rijksdag zich uitte. Dat resulteerde echter niet, zoals in Engeland, in een sterke kabinetsregering maar in een direct bestuur door de Rijksdag. De Rijksraad had historisch en juridisch gezien een hogere positie dan de Rijksdag en zou, indien zij zoals de in Engeland hadden mogen regeren, tot op zekere hoogte een remmende factor kunnen zijn op de neiging van de regerende partijen de soevereiniteit van de Rijskdag voor eigen voordeel te benutten. De Rijksraad werd niet alleen geremd door instrukties uit de Rijksdag, maar de Rijskdag haalde ook echte regeringszaken van de Rijksraad naar zicht toe om daarover zelf te beslissen. Dat deze parlementsvorm niet nog slechter uitpakte dan zij al deed kwam voornamelijk door de administratieve rompslomp die een gevolg was van de bureaucratische samenstelling van de Rijskdag Achtergronden bij de staatsgreep van Gustav IIINooit heeft de ambtelijke corruptie en willekeur zo gedijt als in deze "vrijheidstijd" en in het gehele bestuur raakte nog verder ontregeld als in de regententijd van Karl XI. Zelfs de zelfstandigheid van het rijk kwam in gevaar. Omdat de direkte regering van de rijksdag zich zelfs uitstrekte tot de externe politiek probeerden buitenlandse machten de onverantwoordelijke grootste partij in de rijskdag voor zich te winnen en daarmee begon buitenlands goud een beschamende rol te spelen. De vriendelijke houding naar Frankrijk van de Hattparti gaf hiertoe een aanzet, maar Frankrijk echter, was om egoïstische redenen, meer gebaat bij een sterk Zweden. De Mössparti had meer een voorkeur voor Rusland en Rusland was juist uit op een verzwakking van Zweden, wat later duidelijk werd door het verlies van Polen. Door deze ontwikkelingen werd het omverwerpen van de staatsvorm van de vrijheidstijd noodzakelijk, zelfs al zou er een andere mogelijkheid geweest zijn om van de schadelijke binnenlandse politiek verlost te worden. Dat hield het risico van uiteenvallen van de staat in, omdat de partijen uiteengedreven werden door verschillende belangen. Het was deze verwijdering tussen de partijen die uiteindelijk de revolutie mogelijk maakten waarbij Gustav III (1771-1792) op 19 augustus 1772 de partijen van hun alleenheerschappij beroofde.
|
||||
|
Copyright © 1998-2008 Zweden Info |