Nationaldräkt (Nationale dracht)
Aan
het eind van de vorige eeuw was het mode om het lijfje van vrouwen zo
strak mogelijk in te snoeren. Het ademhalen was vaak niet zo eenvoudig
en in streken waar men veel buiten werkte, was dit een extra probleem.
Bovendien had men in grote steden geen eigen streekdracht. Ook voor
mensen uit het buitenland was een klederdracht moeilijk.
Om deze problemen op te lossen, ontwierp Märta Jörgensson
in 1903 een algemene klederdracht voor Zweden. Hoewel deze eerst rood
met groen was, zijn de blauw/gele kleuren nu eigenlijk de enige waarin
de Zwedendracht wordt uitgevoerd. Blauw en geel zijn de nationale kleuren
van Zweden, zelfs de verkeersborden die een scherpe bocht aangeven,
zijn in Zweden blauw met geel. Ook de vlag is blauw met een geel kruis.
De stof van de dracht is katoen en komt uit de grootste linnenweverij
in Zweden: die van Horred. De lange jurk is blauw. Het voorkleed is
geel met een rand met geborduurde margrieten. Margrieten zijn de provinciebloem
van de zuidelijkste provincie Skåne. Er is ook nog een witte hoofddracht
bij. Koningin Silvia van Zweden wordt vaak in deze dracht afgebeeld.
Voor ongehuwden is er een zogenaamde meisjesring, die zij in het haar
kunnen dragen.
De mannendracht is pas veel later ontstaan, namelijk in 1982. Het vest
is ook gemaakt door de linnenweverij in Horred. De broek is van wol.
Enkele ander voorbeelden van Zweedse klederdrachten zijn :
Sundborn - dames Dalarna
is de provincie van Zweden waarin de meeste tradities bewaard
zijn gebleven. De beroemde Dalapaardjes komen er vandaan
en er wordt nog op de traditionele manier gefeest. Het leven
in Dalarna is voor veel mensen bekend van de ansichtkaarten
naar de schilderijen van Carl Larsson. Deze Carl Larsson
kwam uit de plaats Sundborn. Hij en zijn vrouw waren betrokken
bij de totstandkoming van de klederdracht van Sundborn in
1902. Sundborn ligt in een mijnbouwgebied en van oudsher
droeg men hier eenvoudige kleding; men had geen eigen klederdracht. |
Mälarbygden - heren Ook
deze klederdracht heeft een gele kniebroek. Deze is gemaakt
van lamshuid of van geruwd katoen. Het vest is van katoen
en linnen en heeft blauwe, rode en witte strepen. De kousen
zijn blauwgrijs. Ook hoort er een zogenaamde långrock,
een loodzware lange jas van vadmal bij. De dracht komt uit
een gebied ten noorden van Stockholm, dat gedomineerd wordt
door het grote Mälarmeer met ontzettend veel eilanden.
De dracht heet ook wel de dracht van de Mälareilanden.
In 1950 is deze dracht tot stand gekomen met een voorbeeld
uit een boek van R. Dybeck: De eilanden van het Mälarmeer. |
Upplandsdräkt - dames Katoenen
klederdracht met burgerlijke snit van rond 1840. Het origineel
werd aangetroffen op een boerderij in Hacksta en werd op
hoogtijdagen gedragen met tule schort en sjaal. Van de Upplandsdracht
bestaan diverse varianten, zowel in katoen als in wol. Bij
de dracht hoort een mutsje in verschillende kleuren met
gekantkloste rand. |
Orsa - dames Het
rode lijfje vormt één geheel met de zwarte
gegoffreerde rok. Het schort is groen met rode rand en is
voorzien van een in een speciaal patroon geweven band. De
halsdoek is geborduurd en heeft een kanten rand. De kousen
zijn wit. |
Hälsingtuna - heren
Deze
dracht heeft als een van de weinige een lange broek. Bijna
alle klederdrachten uit Zweden hebben een kniebroek met
lange kousen. Hälsingtuna is gelegen in de provincie
Hälsingland. Oorspronkelijk lag dit dorpje aan de Botnische
Golf, maar door stijging van het land is het dorpje nu meer
landinwaarts gelegen. Hälsingtuna was oorspronkelijk
dan ook een vissersplaats.
De klederdracht bestaat uit een lange zwarte broek van wol
en oorspronkelijk ook een jasje, dat alleen bij kerkgang
en feesten werd gedragen. Het vest is blauw gestreept en
dubbelgeknoopt. De knopen zijn van zwaar zilver met een
afdruk van een bok erop. De bok is het nationale dier van
de provincie Hälsingland. Het overhemd is gemaakt van
wit linnen met aan de uiteinden borduursels. Om de hals
werd zowel een sjaal als een geweven band gedragen. De kleuren
zijn niet voorgeschreven. Bij de klederdracht hoort een
schermmuts. Deze klederdracht is ontstaan aan het eind van
de 18e eeuw. |
|
Torna Hällestad - heren Torna
ligt in Skåne, de zuidelijkste provincie van Zweden.
De dracht bestaat uit een gele kniebroek met gouden knopen
en een donkerblauw vest met een dubbele rij knopen. Het
witte jasje is van vadmal, een zeer oude en zware stof,
vergelijkbaar met ons kamgaren. De kousen zijn wit en worden
opgehouden met handgeweven band, waarvan de uiteinden onder
de broek vandaan komen. Op zon- en feestdagen wordt hier
door rijke mensen een driekantige zwarte hoed bij gedragen,
in andere gevallen een mutsje. |
Skedevi - dames Skedevi
(uitspraak: schjédewíe)
is een kleine kerkgemeente in de provincie Östergötland
in midden-Zweden. Het is een mooie heuvelachtige streek
met veel meren, bossen en daartussen akkers. Van Skedevi
heeft men de feestdracht voor vrouwen kunnen achterhalen,
zoals die sinds 1800 in deze vorm werd gedragen. |
Västerfärnebo - dames Een
gestreepte halfwollen rok met rode rand aan de onderzijde.
Het vest heeft brede banen en wordt met haakjes vooraan
vastgemaakt. De donkergestreepte schort is van halflinnen,
de sjaal van zijde en het tasje van wol met applicaties.
Er hoort een bruinrood mutsje bij met gekantkloste rand
en witte kousen. De dracht werd in 1917 gereconstrueerd
aan de hand van verschillende onderdelen, die nu in Nordiska
Museet zijn. |
Delsbo - dames Delsbo
is een dorpje in de Zweedse provincie Hälsingland,
gelegen aan de Botnische Golf. De streek is traditioneel
een veeteeltgebied. De boeren waren in de vorige eeuw nogal
welgesteld en dat uitte zich in de klederdracht. Wollen
en linnen stoffen werden doorgaans gebruikt in hun kleren.
Door de relatieve geïsoleerdheid van de provincie konden
zij niet in bezit komen van de alom geprezen katoenen stoffen,
die in het zuiden van Zweden in zwang raakten. Anders hadden
zij dit beslist in hun dracht verwerkt. De wollen rok is
zwart, geplooid en onderaan afgewerkt met een rode band.
Hoe breder de band, des te welvarender was de boerenfamilie.
Het lijfje is rood gekleurd met ingeweven groene strepen.
Aan de achterkant is een zogenaamde staart te zien. De functie
is onbekend, waarschijnlijk een modegril. Het lijfje wordt
aan de voorkant vastgemaakt met haakjes. Het schort is zwart
met blauwe
strepen. Het schort wordt vastgezet met een handgeweven
roodgekleurde band met kwastjes. Het tasje dat aan de zijkant
wordt gedragen is gemaakt van gelooid geiteleer aan de acherkant
en stof aan de voorkant. Ieder tasje uit die streek heeft
een uniek motief, dat wordt geaccentueerd met gespiraliseerd
tindraad. De blouse is van wit linnen gemaakt. Aan de uiteinden,
hals en armen zijn fijne geborduurde figuren te zien. De
sjaal is van zijde, de kleur is niet voorgeschreven. In
de winter werd extra onderkleding gedragen, de lange onderbroek
(in het Zweeds mammelukken) en een onderrok. Bij deze klederdracht
is nog een aantal accessoires, die bij kerkgang worden gedragen,
namelijk een overmantel van wol (zwart), handmoffen en een
mutsje (dat verplicht was indien een jongedame ongetrouwd
was). De klederdracht is ontstaan in de 17e eeuw en is gereconstrueerd
in 1930. |
|
Bron : Lillan
- Amsterdam
|